Hier worden regelmatig thema's
vanuit de zienswijze van de yoga behandeld.
Eventuele vragen of eigen overwegingen
kan men steeds mailen
naar trikon@yogascholing.be.
![]() |
downloadversie | Op weg naar harmonie in je relatievorming |
![]() |
downloadversie | Opvoeding in onze moderne tijd |
Op weg naar harmonie in je relatieleven
Vanuit de zienswijze van de yoga gaan we ons bezig houden met de vraag: 'Hoe brengen we ons in relatie met de buitenwereld'? En verder stellen we ons ook de vraag: 'Wanneer versterken en bevorderen we onze individualiteit in ons relatieleven, of wanneer verzwakken en verliezen we onszelf teveel'? Vanuit een andere zienswijze, bijvoorbeeld de psychologie, zal men het relatieleven vanuit een andere invalshoek benaderen. Bijvoorbeeld eerder de verschillende steeds weerkerende patronen leren herkennen en veranderen of doorbreken in je leven.
Om deze inleidende vragen te beantwoorden kunnen we ons vooreerst afvragen hoe het relatieleven vroeger was en nu geworden is? En met relatieleven bedoelen we hier niet alleen tussen man en vrouw, maar ons relatieleven algemeen tegenover de natuur, ons werk, onze hobby's, spiritualiteit, ... . Dus de relatie tegenover de algehele buitenwereld of het gehele leven.
U kunt u hierbij eens afvragen in welke opzichten het relatieleven in
het algemeen veranderd is tegenover vroeger? Probeer dit eventueel schriftelijk
in enkele punten tegenover elkaar te zetten. Bijvoorbeeld was men relatiebekwamer
of niet, was er vroeger meer gemeenschapsgevoel, was de relatie-opname
productiever en actiever dan nu, ... ? En verder kunt u zich afvragen waarom
het relatieleven nu juist zo veranderd is, tegenover vroeger?
Een punt die alvast anders is in het relatieleven wil ik hier wat nader
uitwerken.
We zullen bemerken dat de mens zich tegenwoordig passiever gedraagt dan vroeger in de manier hoe hij zich in verbinding brengt tegenover de buitenwereld. En dat hij zich in deze grotere passiviteit met een sterk verwachtende houding opstelt tegenover de buitenwereld. Men wil niet meer zoveel investeren en zich inzetten voor iets maar veeleer meer voor zichzelf verkrijgen. Hier kunnen we ons ook afvragen waarom is dat zo of hoe is het er toe gekomen?
Een voorbeeld: Wanneer men yoga-oefeningen uitvoert zoekt men meer naar een rustig, ontspannen en aangenaam gevoel voor zichzelf dan dat men zich scheppend actief afvraagt of onderzoekt hoe een ontspanning tot stand komt, of wat is de wetmatigheid en de achtergronden van de ontspanning, waarom zijn we dan overspannen. Men zal normaliter van de oefeningen eerder iets voor zich verwachten, dan dat men zich verdiept in de oefening. De oefeningen moeten ons iets geven, zonder dat we er al te veel moeten voor doen of ons al te zeer iets moeten afvragen en een bewustzijn omtrent de zaak ontwikkelen is de tegenwoordige tendens. Vanuit onszelf iets in de oefening inbrengen, daartoe zijn we meestal minder geneigd. Een belangrijk principe in 'de yoga uit de reinheid van de ziel' is echter dat niet primair telt wat men uit een zaak voor zich verkrijgt, dit is secondair. Primair is wat men er vanuit zichzelf aan gedachten, gevoelens en wilsinspanning actief in brengt. En hierbij zal men zelfs paradoxerwijze bemerken dat men tot een diepere ontspanning, rust en tevredenheid komt wanneer we productief met de oefeningen omgaan. Dus wanneer we ons scheppend-actief in relatie brengen. Vooral de scheppende mentale oriëntering tegenover de oefening is hierbij doorslaggevend. We proberen hierbij de eigen eerder gevoelsmatig verwachtende houding te overstijgen.
Of we ons nu scheppend in relatie brengen of eerder een passief-verwachtende
houding aannemen heeft verstrekkende gevolgen voor de kwaliteit van ons
leven en zelf voor dit van een ander. Welke gevolgen zou dit nu allemaal
kunnen hebben bijvoorbeeld in de zin van onze psychische en fysieke gezondheid
en harmoniegevoel? Bijvoorbeeld: wat is de uitwerking van een passieve
verstrooiing zoals televisie en wat bewerkstelligd een scheppend-creatief
met iets bezig zijn?
Een belangrijk verschil naast vele andere ligt in de mate van het ontwikkelen
van ons individu en de eigen bewustwording. Een scheppende actieve relatie-opname
werkt ik-behoudend en versterkend op de eigen persoonlijkheid, terwijl
bij een passieve, consumptieve relatie-opname we ons ik teveel verliezen
en onszelf verzwakt. Hoe kunnen we dit nu praktisch begrijpen?
In een passieve gevoelsmatige overgave aan iets of iemand vormt men niet of tenminste onvoldoende zijn eigen standpunt en inzicht. Dit betekent vanuit de visie van de yoga men verliest zichzelf tegenover de buitenwereld. Indien men daartegenover scheppende gedachten zelfstandig vormt omtrent iets of iemand vanuit een heldere aanschouwing dan ontwikkelt men een eigen inzicht en standpunt en ontwikkeld hierdoor juist zijn eigen persoonlijkheidssterkte. Wat niet wil zeggen dat men zich volledig gevoelloos tegenover de buitenwereld moet opstellen, we moeten de gevoelens alleen op de juiste plaats rangschikken. Dit wil zeggen we mogen ons eigen subjectieve en projectieve gevoelens niet op de eerste plaats zetten en ons erdoor laten overheersen of domineren in onze relatie naar buiten toe. Gebeurt dit wel dan verliezen we de helderheid van het mentale bewustzijn, of met andere woorden, we zijn als het ware versluierd in onze gevoelens. We laten ons leiden door de momentane gemoedstemmingen en gevoelens.
We zien dit verschil bijvoorbeeld direct aanschouwelijk wanneer we de mensen van vroeger bekijken tegenover die van nu. De mens gaat vroeger meer persoonlijke uitstraling en sterkte gezien hij zich niet zozeer emotioneel in verbinding bracht met de buitenwereld, maar wel veelmeer mentaal en wilsmatig. Hij moest nog meer scheppende gedachten vormen gezien hij niet over de huidige technologische middelen beschikte. Hij moest ook meer zijn wil inzetten en handwerk verrichten, gezien hij niet over machines beschikte.
Wanneer we ons dus zelfstandig leren gedachten vormen omtrent iets of iemand, dan vormen we ons een bewustzijn omtrent de zaken. Benaderen we de zaken gevoelsmatig dan vormen we ons niet echt een bewustzijn omtrent de buitenwereld, maar we bevinden ons eigenlijk in een onbewust proces. Het onbewuste of het onderbewuste stuurt ons via de gevoelens in dit proces. De moeilijkheid bestaat erin dat we ons werkelijk objectieve gedachten leren vormen. Normaal zijn we overschaduwd door opgestapelde projectieve gevoelens omtrent de zaken van het leven waardoor ons denken zijn zuivere natuur verliest. Een vrijer en objectiever denken te ontwikkelen vraagt meestal oefening. Verschillende yoga of zielsoefeningen kunnen hiervoor behulpzaam zijn. Wanneer ze natuurlijk vanuit een heldere mentale oriëntatie beoefend worden en niet vanuit het gevoelsmatige.
Door de yogapraktijk willen we in alle opzichten relatiebekwamer worden en vooral vrijer en duidelijker in onze relaties worden. We willen ons eigen ik en bewustzijn hierin vrij ontwikkelen en ook het ik van de andere hierdoor vrijheid kunnen geven. Indien we ons niet te zeer vanuit het emotionele en een verwachtingshouding de buitenwereld benaderen dan zullen we de buitenwereld ook vrijer benaderen en vrijer laten. Door scheppende gedachten te vormen omtrent iets of iemand creëren we geen afstand maar juist verbinding en vooral ook een vrijere verbinding. We creëren meer nabijheid tot de buitenwereld door scheppend-actief de zaken te benaderen. En hierdoor creëren we ook een nabijer voelen en zelfs een dieper en objectiever voelen. Dit is een voelen die niet zozeer vanuit ons eigen opgestapelde projecties en emoties stamt, maar vrijer van onszelf is.
Door meer vanuit het emotionele de buitenwereld te benaderen zullen we natuurlijk ook een verbinding aangaan. Maar deze verbinding is anders. Ze is meestal nog zeer grijpend en bindt ons te sterk aan de ander of ook omgekeerd bindt de ander aan ons. Zogenaamde symbiosen ontstaan hier vaak, of anders uitgedrukt gevoelsbindingen. En een echte nabijheid ontwikkelen we niet echt gezien we ons in onze eigen cocon van gevoelens bevinden. We versmelten misschien met de ander vanuit de gevoelens, maar dit betekent iets anders dan een nabij objectief voelen te ontwikkelen tegenover iets of iemand.
Relaties onder mensen:
Onze relaties onder elkaar, zoals partnerschap, vriendschapsrelatie,
familieverbindingen, lopen soms niet zozeer zoals we voorstellen of wensen.
Eigenlijk streven we steeds naar een zekere harmonie onder elkaar, bemerken
echter dat zich ook vele disharmonieën voordoen.
Een belangrijk aspect is terug het werkelijk durven onder ogen zien van jezelf en de andere in de relaties, en de manier hoe je tegenover elkaar staat. Onbewuste tendensen zouden zoveel mogelijk aan de oppervlakte moeten kunnen komen en ook opgelost worden. Dit vraagt natuurlijk veel moed en bereidwilligheid langs beide zijden. En we moeten altijd langs onze kant beginnen. Het is niet onze taak de andere te veranderen. We zouden niet zozeer vanuit versluierde gevoelens en onbewuste neigingen tegenover de andere mogen staan, maar bewust de zaken en ons relatieleven moeten leren ophelderen. En hierbij ons met onze eigen neigingen en met de andere werkelijk leren confronteren. In deze confrontatie moeten we ook eigen standpunten duidelijk leren innemen.
Meestal brengen we deze moed niet op, gaan we confrontaties niet aan en nemen geen duidelijke standpunten in. We zijn eerder geneigd om een gevoelsmatige harmonie onder elkaar te onderhouden of zaken niet aan de oppervlakte te brengen omwille van de zogenaamde goed vrede. Hierdoor ontwikkelen we enkel een uiterlijke harmonie onder elkaar, en aan de andere kant een innerlijke disharmonie. We moeten het verschil leren kennen tussen een werkelijke harmonie en een schijnharmonie.
In een uiterlijke schijnharmonie verliezen we onszelf al te vaak in
onze relaties en geven we ons over aan de ander. Voor een werkelijke innerlijke
harmonie moeten we onszelf verheffen en moedig standpunten leren innemen,
confrontaties aangaan en onze eigen negatieve tendensen weten op te helderen.
Dit zijn enkele basisideeën omtrent de wijze waarop we ons in
verbinding brengen. Deze gedachten werden hier zeer kernachtig weergegeven
en geven zeker nog veel stof tot nadenken.
Opvoeding in onze moderne tijd
Omtrent dit onderwerp zullen wellicht vele vragen rijzen en zijn er ook heel wat uiteenlopende visies. We zien heel duidelijk dat de manier van opvoeden sterkt verandert is tegenover enkele tientallen jaren geleden en dat ook de omgeving waar de kinderen in opgroeien sterk veranderd is. We moeten ons de vraag misschien stellen of dit nu wel iets positief is of niet? Welke gevolgen dit alles geeft en of we er iets willen of kunnen aan veranderen?
Voor u mijn uiteenzetting helemaal doorleest kunt u even zelfstandig
nazinnen en eventueel zelf schriftelijk, omtrent wat er nu juist in de
opvoeding en ook in de onderwijsmethodes verandert is en welke uitwerkingen
of gevolgen dit geeft? Hier zullen we zowel positieve als negatieve zaken
ontdekken. De gevolgen kunnen we puur materieel bekijken, en verder ook
op innerlijk vlak. Op innerlijk vlak bekijken we zaken zoals de persoonlijkheidssterkte,
de creativiteit en het scheppend vermogen, de innerlijke waarden en deugden,
… .
In het reguliere onderwijs ligt sterk de nadruk op kennis en prestatie,
en dit vanaf de zeer vroege kinderjaren. Is dit wel zo noodzakelijk, kunnen
we er ook anders mee omspringen en welke gevolgen zou dit kunnen hebben,
in de zin wat wordt er hierdoor beknot in het kind?
De omgeving waar het kind in opgroeit is veranderd. Het kind ontvangt
ook veelmeer prikkels van buitenaf die op hem inwerken. Veelmeer drukte
en haast in het stadsleven, prikkels door televisie en radio, computer,…
. Welke gevolgen zou dit hebben op het kind? En verder kunnen we
daar iets aan doen, bijvoorbeeld in onze eigen huissfeer?
Na het nadenken omtrent deze punten kunt u de volgende gedachten doornemen,
hier en daar zullen enkele van deze vraagstellingen en punten verduidelijkt
worden.
Opvoeding tijdens de verschillende levensfasen
Het opvoedingsvraagstuk kunnen we vanuit verschillende zijden benaderen, dit al naar gelang waar we meer waarde aan hechten. Tegenwoordig wordt opvoeding sterk benaderd vanuit de huidige psychologie en zoekt men alsmaar naar nieuwe en betere opvoedingsmethodes. Verder zoekt men naar nieuwe en betere onderwijsmethodes. Men hecht hierbij veel waarde aan bijvoorbeeld de materiële kennis en de direct zichtbare vaardigheden. Deze kennis en vaardigheden moet het kind tegenwoordig zich ook steeds vroeger eigen maken. Men stelt zich echter zelden de vraag naar het belang van de eigen zelfopvoeding en ook niet zozeer naar de innerlijke zielsgeestelijke ontwikkeling van een kind. En van daaruit wat werkt er opbouwend en innerlijk versterkend voor een kind op een bepaalde leeftijd en wat werkt er verzwakkend of afbouwend voor een kind op een bepaalde leeftijd.
Men kan dus de materiële zijde belangrijk vinden en het opvoedingsvraagstuk vanuit een materiële visie of beoordeling benaderen. Hierbij zal men veel belang hechten aan de uiterlijke kennis en vaardigheden. Verder dat het kind een grote vrijheid verkrijgt. Het kind moet al vroegtijdig zelfstandig worden door eigen keuzes te mogen maken en inspraak te verkrijgen in allerhande aangelegenheden, … .
Of men kan meer waarde aan de meer innerlijke zijde en ontwikkeling van het kind en hierbij het opvoedingsvraagstuk benaderen vanuit een zielsgeestelijke visie. Dit is een visie die vertrekt vanuit een kennis van de innerlijke zielsgeestelijke ontwikkeling van het kind en van daaruit de noodzakelijkheden in de opvoeding en manier van onderwijs probeert af te leiden. Deze zielsgeestelijke ontwikkeling gebeurt over drie opeenvolgende levensfasen of levensperioden. Verder zal men vanuit een innerlijke zijde ook het belang naar waarde schatten van de eigen zelfontwikkeling of zelfopvoeding en bekijken welke inpakt dit heeft op het opgroeiende kind.
In deze uiteenzetting wordt deze zielsgeestelijke ontwikkeling over de drie levensperioden beknopt belicht en het belang van de zelfopvoeding van de volwassene wat toegelicht. Wat niet wil zeggen dat materiële kennis en vaardigheden niet belangrijk zijn, dit is zeker niet het geval. Maar wel is het belangrijk te bekijken hoe je deze aanbrengt en op welke leeftijd, opdat ze de innerlijke ontwikkeling tot een krachtig en scheppend-creatief individu niet in de weg zou staan of te zeer beknotten.
De drie levensperioden van telkens 7 jaar werden vooral door Rudolf
Steiner vanuit zijn geesteswetenschappelijk onderzoek uitgewerkt. Ze vormen
ook de essentiële basis van het Steineronderwijs. Voor een verdere
studie van dit onderwerp zijn de boeken van Steiner dus zeker aan te raden.
Eerste periode van 7 jaar: 0 tot 7 jaar
Wanneer we een kind tijdens deze eerste 7 jaren observeren dan zullen
we bemerken dat het ongelofelijke drang in zich draagt om de anderen na
te bootsen. Dit nabootsen moet niet bijgebracht worden, dit doet het vanzelf.
Zo wil het alles nabootsen en spelen wat het bijvoorbeeld ziet van de ouders.
In deze natuurlijke behoefte mag men niet ingrijpen of het nabootsen verbieden.
Anderzijds is het goed om steeds erop te letten dat men het goede voorbeeld
geeft. Hierin bestaat al een eerste vorm van zelfopvoeding.
Tijdens deze eerste periode van 7 jaar ontwikkelt het lichaam zich volgens Rudolf Steiner tot een bepaalde vormstructuur die dan voor later blijft bestaan. Vooral de organen worden gevormd of verkrijgen een vormstructuur of basisstructuur waarop ze zich dan nog verder ontwikkelen. De hersenen en het zenuwstelsel worden aangelegd. Vanuit de geesteswetenschap spreekt men hier van oervormingskrachten die aan het werk zijn. Hier wordt dus de fysieke basis voor het gehele latere leven aangelegd. En voorts ook de zielsgeestelijke basis in de zin van de meest innerlijk kracht van de persoonlijkheid die voor later verder blijft bestaan, waarop zich o.a. ook het oervertrouwen in het leven en de meeste innerlijke oprichtkracht zich opbouwt.
Hier in deze periode is het voor deze innerlijke aanleg van de organen, de hersenen en het zenuwstelsel en verder van de diepste kracht van de persoonlijkheid dat er geen storende, afbouwende of zelf vernietigende krachten optreden, zodat het kind in zijn wezen zwakker wordt voor later.
Positief op deze oervormingskrachten en de ontwikkeling van een innerlijke sterkte in de persoonlijkheid en in de wil voor later, is de eigen drijfveer op voortdurend na te bootsen en door het nabootsen de wereld te leren kennen. Belastend op het nog zeer sensibele en open zenuwstelsel werken hier al pogingen om het kind al op een intellectuele of ook zelf emotioneel-moraliserende manier zaken aan te leren. Het bewuste leren is een aangelegenheid voor de tweede levensperiode vanaf ongeveer 7 jaar wanneer het kind daarvoor rijp is en het over het nodige bewustzijnspotentiaal beschikt. Het kind zou zoveel mogelijk moeten kunnen gedijen in een natuurlijk en rustige omgeving dat het kan nabootsen in zijn creatief-fantasievolle spel. Moraliteit leert het bijvoorbeeld het meest door morele voorbeelden, niet door morele leerstellingen. Morele leerstellingen kan het nog niet echt begrijpen en zodoende werken ze eerder storend en overbelastend.
Verder werken invloeden sterk belastend zoals de televisie met zijn overprikkelende beelden, teveel luidruchtige invloeden zoals gedurig een spelende radio in de buurt, overdreven drukte zoals in de steden vaak voortkomt, ….
Verder roept een kind naar een sturing vanwege de ouders of opvoeders. Het kind volledig zijn vrije gang laten gaan en het geen grenzen aanbrengen leidt ook tot een verzwakking en zelfs tot een ongehoord onrespectvol gedrag. Een kind leeft geborgen binnen fysieke en later verbale grenzen. De fysieke grenzen zijn voor de geboorte de moederschoot, dan de wieg, dan de box, …, en worden later meer en meer verbale grenzen. De toegestane vrijheid en het gemis aan grenzen leidt tot een overbelasting voor het kind. Deze sturing mag gerust veel sterker en duidelijker gebeuren dan vandaag de dag populair is. Het te zeer via lieve woordjes en emotioneel de kinderen tot de orde roepen brengt geen helderheid, maar eerder verwarring tot stand bij het kind.
Een kind leeft in deze eerst levensperiode dus nog een fantasievolle en reine wereld en ervaart de wereld als zijnde goed en wil hetgeen het ziet ook overgavevol nabootsen. Dit nabootsen is ook als een oerwil of behoefte in het kind. Het kind is echter nog een zeer broos en open wezen waarbij alle indrukken hun stempel achterlaten in zijn fysieke en geestelijke wording. Het kan zich niet verweren, want de buitenwereld wordt bij een kind tot ongeveer 7 jaren rechtstreeks en direct tot binnenwereld. Dit druist in tegen het idee dat tegenwoordig sterk aanwezig is dat men de kinderen met alles vanaf het begin moet confronteren en het van niets mag weghouden.
Tijdens deze periode is onze persoonlijkheid en onze uitstraling op
het kind heel belangrijk.0 Onze persoon en ons voorbeeld is direct een
object van de opvoeding. Volgens Heinz Grill werken we onze persoonlijk
direct en onbelemmerd op het kind in en vormen we het. We kunnen hierbij
positief op het kind inwerken of belastend. Daarom is eigenlijk de eigen
zelfopvoeding zelf als belangrijker te achten dan de opvoedingsmethode.
De tweede levensperiode van 7 jaren: 7- 14 jaar
Deze periode kan werkelijk als een nieuwe levensfase waarin het kind
komt beleefd worden. De overgang gebeurt niet alleen op zielsgeestelijk
vlak, maar laat zich ook fysiek constateren. We zien dit aan de tandwisseling.
Het geërfde melkgebit van de moeder verdwijnt en hiervoor verkrijgt
het kind nu zijn eigen gebit.d
Tijdens deze periode breekt de tijd van het bewuste leren aan. Het kind is klaar om bewust te gaan zaken leren en de nabootsperiode is definitief voorbij. Tijdens deze periode wordt het zogenaamde levenslichaam of etherlichaam voor later aangelegd, zoals tijdens de eerste periode de oerstructuur voor het fysieke lichaam aangelegd werd.
Dit levenslichaam of levenskrachtenlichaam wordt het sterkst ontwikkeld door beelden en vergelijkingen, door kunstzinnig-creatieve bezigheden en door diep religieuze voorbeelden. Het levenslichaam wordt echter beknot door intellectuele leerstellingen in de vorm van abstracte definities, etc.. In deze periode zou het kind veeleer een gevoel of gewaarwording moeten kunnen tot de zaken van het leven, dan een puur abstracte verstandelijke kennis. We werken trouwens via het gevoelsleven in deze periode het best in op het zich ontwikkelende levenslichaam.
Het levenslichaam is de zetel voor alle neigingen en gewoontes, voor het geweten, voor het karakter en temperament en verder ook voor het goed geheugen.
Het zal hier dus belangrijk zijn dat dit eerste bewuste leren gebeurt op een manier die het gevoelsleven sterk aanspreekt. Welnu dit gebeurt het sterkst door de beeldende en verbeeldende krachten van het kind aanspreken. Het onderricht zou het best op een innerlijk aanschouwelijke manier moeten gebeuren via beelden, vergelijkingen, kunst, muziek, etc.. Let wel deze beelden en vergelijkingen zouden niet abstract-materieel mogen zijn, maar zouden uit de diepe inzichten in het leven moeten stammen van de opvoeder of leraar, opdat ze een ware verrijkende voeding zouden betekenen voor het kind. Men zal dus wanneer men een kind in deze leeftijd iets wil bijbrengen vertrekken vanuit een zinnebeeld omtrent de zaak, en hierdoor vooreerst meer een gewaarwording omtrent de zaak bijbrengen.
De beelden uit verhalen en sprookjes zijn hier ook uitermate geschikt voor kinderen in deze leeftijdsfase. De kinderen zullen bijvoorbeeld veel sterker in hun moreel gevoel positief beïnvloed worden door een beeldend verhaal omtrent een bepaalde deugd in het leven, dan dat men dit hun verstandelijk wil bijbrengen. Beelden spreken de kinderen veelmeer aan en blijven ook voor later in hun zieleleven aanwezig.
Verder vragen de kinderen tussen 7 en 14 jaar naar een autoriteit die ze wil navolgen. Een autoriteit niet in de zin van een autoritair strenge persoon, maar iemand die wijsheid en diepe deugden uitstraalt en die vanzelfsprekend als autoriteit aanvaard wordt. We herinneren ons hier misschien zelf nog leraars of personen die een diepe indruk op ons gemaakt hebben toen we nog kind waren. Een persoon waar we met veel respect, ontzag, misschien zelf met een zekere natuurlijke vorm van verering naar opkeken. Een dergelijke vorm van verhouding tussen kind en volwassenen is iets die we moeten toelaten en zelf proberen te bevorderen. Het is niet iets die we mogen afwijzen omwille van een of andere psychologisch argument, zoals verkeerde onderdanigheid. Nee, het is veeleer iets verrijkend voor het kind en ook een kracht voor later.
In deze zin zijn ook verhalen en legendes over grote persoonlijkheden uit het verleden, die edele, zelfs heilige daden gepresteerd hebben iets zeer verrijkend voor het innerlijk leven van een kind. Bijvoorbeeld denk ik hier aan verhalen over heiligen. Deze verhalen werken diep en vormend in op de kinderziel. Het religieuze voelen en vroom geloof wordt in deze periode ook ontwikkelt. Hiermee bedoel ik geen passief geloof en aannemen van een credo, maar een zekere gewaarwording voor iets groter en dieper in het leven, die voor later een basis schenkt voor het vertrouwen en de hoop in het leven. Zodat men niet onder de mammon van de puur materiële gedachten, problemen, etc. geheel ten onder gaat.
Wanneer deze levensperiode goed verloopt beschikt het kind voor later over diepe wortels die weerstand kunnen bieden tegen sterke tegenwind die het later wellicht zal ervaren, in de zin van tegenslagen en noodlottige situaties. Men kan vanuit een diepe hoop en geloof nog speels met de vele zwaarwegende situaties omgaan en zich over vele angsten verheffen.
Het speelse en spontane is in deze levensperiode dus ook aan te moedigen.
De kinderen moeten nog speels zijn en geen halfvolwassen intellectuelen
en persoonlijkheden worden. Een speelse fantasie en creativiteit ontwikkelen
en verder zich ook nog speels uitspelen tegenover de volwassenen. Ze zouden
nog niet teveel onder druk gezet mogen worden in de zin van prestaties
of mogen ondergedompeld worden in onze maatschappelijke en wereldlijke
problemen en vereisten. Het leven mag nog in een zekere zin een spel zijn.
De derde levensperiode: 14-21 jaar
Deze periode ontwaakt met het aanbreken van de puberteitsfase of met
de geslachtsrijpheid. De overgang van de kindse periode naar de puberteit
is ook duidelijk voelbaar en waarneembaar. Een dikwijls zeer turbulente
en moeilijke fase zowel voor de puber als voor de omgeving breekt hier
aan.
Deze levensperiode is sterkt gekenmerkt door activiteit en persoonlijkheidsdrang. De puber wil zijn eigen persoonlijkheidsstructuur ontwikkelen en grenzen overschrijden op verschillende vlakken. Hij wil hierin zijn eigen persoonlijkheid beleven. Verder wil hij de zaken niet zomaar aannemen van de volwassenen en de maatschappij maar hij wil zelfstandig oordelen en zelf een mening beginnen vormen.
De puberteit is een zeer vurige fase of zou het eigenlijk moeten zijn. Vuur roept het beeld op van activiteit, van expansie en eigendynamiek, etc.. Vuur is echter ook iets gevaarlijk dat men onder controle moet houden en moet banen. Op die manier mag men de puber ook in zijn vuur of drang tot avontuur en eigenactiviteit niet proberen te blussen. Men moet het vuur eerder bevorderen, maar tegelijk onder controle houden en banen in de goede richting. Daar ligt onze taak in als opvoeder, ouder, leraar. De teugels moet men tot op een bepaalde graad loslaten opdat men de puber niet in zijn persoonlijkheidsdrang zou beknoten, maar tegelijk mag men ze ook niet volledig loslaten of het vuur zijn eigen gang laten gaan. De puber is nog niet volwassen en beschikt nog niet over de rijpheid, overzicht, verantwoordelijkheid en ik-kracht om zichzelf volledig zelfstandig te sturen. Daartoe moet de volwassen nog toekijken en de communicatie verder aangaan.
Goed zou bijvoorbeeld zijn wanneer de puber zijn vuur in zinvolle bezigheden steekt en niet in al te zeer onzinnige zaken. Zinvolle zaken bijvoorbeeld die hem een basis geven voor het latere leven op een of ander vlak. Hier zou de puber aangemoedigd moeten worden tot een beroepskeuze en hier zijn krachten moeten meten en testen. De volwassen mogen echter de puber niet te zeer de eigen keuze ontnemen en hem in een bepaalde richting dwingen. Wanneer we dit doen ontstaat vaak de omgekeerde reactie en blust het vuur. De puber is niet meer geboeid door iets en wordt een nietsdoener. De keuze moet volledig in het gebied van zijn eigen interesses liggen. Interesse maakt hem actief. Maar naast schoolse activiteiten zou ook de sport, muziek, etc., tot een drijfveer kunnen worden. Lichaamsbeweging in een of andere vorm is in ieder geval aan te raden op deze leeftijd, niet alleen mentaal werk.
In deze puberteitsfase ontwaakt het eigen denken. Deze periode is dus geschikt om in het onderricht op intellectuele wijze te gaan werken. Hetgeen waar men in de vorige kinderperiode een gewaarwording via zinnebeelden voor ontwikkelde, zal men nu vanuit het verstand gaan benaderen. De puber kan hier tot ongelofelijke prestaties komen en zich in de meest uiteenlopende vakken bekwamen. We moeten hem alleen maar weten te boeien en het vuur ontsteekt meestal vanzelf. Niets stompt meer af dan oersaaie lessen, leraars en volwassenen.
Communicatie en discussie zijn verder van belang. Dit tussen de ouders en de puber, tussen de leraars en de pubers, maar ook tussen de pubers onderling. De puber is normaal gezien geneigd om in dialoog te gaan wanneer er hiertoe geen barrières in een of andere vorm bestaan. Hij wil in dialoog gaan met de wereld, maar ook in discussie gaan omtrent verschillende onderwerpen. Voor de ouders is de open dialoog een mogelijkheid om nog enige controle te hebben op wat in hun kind omgaat, wat hij uitspookt en waar hij naar toe wil met zijn leven. Men mag in ieder geval niet meer hiërarchisch zijn kind op deze leeftijd willen bepalen want daar huivert hij van. Zal zich misschien afkeren of opstandig reageren. En dan verliest men de mogelijk om het vuur ergens de helpen banen.
De puber moet ook aanvoelen dat de volwassenen eigenlijk een grotere capaciteit en rijpheid geeft en dat hij op hem nog kan of mag terugvallen indien nodig. Ouders kunnen hier dan nog een steun betekenen. Ook wanneer hij in de discussie wellicht de overwinnaar wil zijn en een beterweter wordt, moet hij achter het uiterlijke nog een gevoel verkrijgen voor de capaciteit van de volwassenen.
Dit zijn enkele beknopte gedachten omtrent de opvoeding gedurende de
verschillende levensperioden. Voor verdere studie kunt u nog de voordracht
van Heinz Grill omtrent opvoeding lezen of downloaden en/of u in de
boeken van Rudolf Steiner omtrent pedagogie verdiepen.