De opvoeding tot

oprechtheid en persoonlijkheid


Voordracht van 15 november 1996

Home

I

De nu volgende uiteenzettingen over de opvoeding en zelfopvoeding stellen een bepaalde eis aan ons gewoonlijk bewustzijn, daar de gedachten in menig opzicht de tegenwoordige pedagogische inspan-ningen tegenspreken. Het is in het bijzonder voor al diegenen, die voor de eerste keer hier bij een voordracht toehoren, een nieuwe mentale en innerlijke eis, want de woorden, zoals ze gesproken zijn en zoals ze uit de imaginatieve samenhang de logica van de opvoeding weergeven, zijn zozeer ongewoon en zo moeilijk grijpbaar, dat ze misschien al te gemakkelijk als gefantaseer of wereldvreemde idealisering afgedaan zouden kunnen worden. De uiteenzettingen willen echter niet zozeer de pedagogische methoden van de tegenwoordige tijd bekritiseren, noch willen ze deze vanuit een alternatief standpunt op een nieuwe wijze interpreteren. Ze zijn veeleer een bijdrage voor een dieper en veelomvattender begrip van de zielsontwikkeling van kinderen, jongeren, jonge volwassenen en volwassenen, en ze moeten ons als opvoeders, leraren, pedagogen of artsen in de ziel zelf wakker roepen en ons van binnenuit in het bewustzijn alsook in de houding sterken.

Deze woorden, zoals ik ze spreek, zijn uit de directe nabijheid van de aanschouwing en opmerkzaamheid geboren. Ze zijn liefde en vrede voor de ziel. Ze sterken de ziel. Ik vraag u, deze gehele uiteenzettingen, zoals ze in beelden verduidelijkt en door begrippen bijgebracht worden, niet uit de samenhang te trekken, want ze bezitten in de context hun zin. De woorden zijn in hun geheel meditatie, en ze zijn een melodie uit de geest.

De opvoeding beperkt zich nooit tot jongeren, kinderen en kleuters. Wanneer de opvoeding enkel een pedagogische behendigheid of de toepassing van een zekere, stevige methodiek zou zijn, zo zou ze nooit het leven werkelijk kunnen raken en in de vrijheid bevorderen. Opvoeding is altijd zelfopvoeding. Onze eigen ontplooiing en onze eigen krachtige inspanning voor reinheid, rationaliteit, positieve uitstraling en geestelijke volmaaktheid is als belangrijker te beschouwen dan de methoden, die we bij anderen lerend en opvoedend toepassen.
 
 

II

Voor het eerste deel van onze uiteenzettingen en voor de belichting van het thema van de opvoeding lijkt het om te beginnen eens zeer belangrijk, dat we daarover enkele gedachten vormen, welke dimensies door onze opvoedingsverantwoordelijkheid bij de kinderen aangesproken worden. We kunnen in een eenvoudige indeling drie verschillende niveaus schetsen. Allereerst richt de opvoeding en bevordering zich op een lichamelijke vorming en lichamelijke uitwerking. Verder leidt onze invloed bij de kinderen, voornamelijk bij de kleineren, tot de ontwikkeling van eerste bekwaamheden zoals spraak, goede manieren en tot de bevordering van de meest verschillende noodzakelijke en elementaire vaardigheden zoals schrijven, rekenen, lezen, beoordelen en begrijpen. Uiteindelijk richt zich echter de opvoeding ook op de meest innerlijke morele ontwikkeling, en ze richt zich in deze samenhang nog veel meer op de ontwikkeling van de ziel en reinheid in de persoonlijkheid. De kroon van de opvoeding en gelijktijdig de wortel van alle inspanning is de bevordering van al die krachten en kwaliteiten, die het mens-zijn eerst tot rijpheid en tot een werkelijk bewustzijn, alsook tot een vrijheid en stevigheid in de geest verheffen. Deze derde bedoeling van het leren en onderwijzen wordt tegenwoordig het minst bediscussieerd, ze wordt zelfs door de vele methoden en veruiterlijkingen van de leervormen buiten beschouwing gelaten. De volgende uiteenzettingen richten zich echter in de eerste plaats op deze meest innerlijke opvoeding van de ziel en moeten dat minst gekende en verborgen deel van de opvoeding in het licht plaatsen. Opvoeding moet de schoonheid en de reinheid van de geest als wortel en kroon van het mens-zijn bevorderen, ze zou alle andere deelaspecten van deze grote en belangrijkste doelstelling in een zo goed mogelijk en zo ruim mogelijk bewustzijn moeten bevorderen.

Deze indeling in drie basisprincipes, in een lichamelijk, een psychisch en een geestelijk principe, lijkt hier voor het begin van onze buitenzettende zeer belangrijk te zijn, want ze geeft ook een richting of een afweging in de zo veelomvattende discipline van de opvoeding. Op alle levensgebieden bestaat de noodzakelijkheid te leren en te onderwijzen. In de familie vormt de opvoeding door de ouders de basis voor de harmonie van het samenzijn, en op school neemt het leren en onderwijzen een specifiek vormend karakter voor de persoonlijkheidsvorming en persoonlijkheidsontwikkeling aan. Maar de opvoeding is met de schoolrijpheid en de eerste leer- of studiejaren nog niet ten einde. Zelfs in de tweede levenshelft werken we aan onszelf en spannen ons in voor een rijpere volmaaktheid, alsook voor een veredeling van het karakter en voor een verruiming van wijsheid en kennis. In het middelpunt van alle inspanningen staat echter de geestelijke opvoeding, want ze geeft door haar bewegende en klinkende radius eerst de fijne essentiële melodie voor een psychisch en lichamelijk gedijen van onze aan ons toevertrouwde kinderen. Het is niet de beste methodiek, die ons uiteindelijk tot goede opvoeders maakt, en het is ook niet het studeren van boeken of het bezoeken van seminaars, dat ons werkelijk de meest innerlijke onuitsprekelijke kwaliteit tot een positieve, bevorderlijke en opbouwende autoriteit schenkt. Het is de goddelijke, scheppende geest, die we erkennend en liefhebbend verkrijgen, die ons door zijn antwoordende genadekeuze tot waarachtige opvoeders maakt.

Het is tegenwoordig een van de grootste gevaren, dat we voortdurend naar nieuwe leermethoden en naar betere psychologische uitgangspunten in de schoolpedagogiek en kinderopvoeding zoeken en hierbij onze eigen persoonlijkheid buiten beschouwing laten. De ware opvoeding stroomt van een persoonlijkheid en autoriteit uit. De persoonlijkheid is een resultaat van rijpheid, en de rijpheid is een resultaat van kennis, en deze kennis is wederom een resultaat uit de reinheid en oprechtheid en ook de gedegen stevigheid van ons karakter. Deze stevigheid van het karakter getuigt meer dan alle methoden bij elkaar genomen. Want deze stevigheid werkt als een voorbeeld, waarvoor de kinderen en jeugdige mensen respect en achting tonen.

Helaas is er tegenwoordig een zeer belastende situatie in onze opvoedingssystemen ontstaan, die het beroep van leraar veel moeilijker maakt en die het onderwijzen zelf in vele gebieden in twijfel trekt. Nog maar weinig personen zijn werkelijke leraren, die een aantrekking en een voorbeeldige, niet autoritaire en toch duidelijke capaciteit uitstralen. De wegen van de studie alsook de wegen van zelfopvoeding veruiterlijken zich tot puur didactische vormtoepassingen en overzien de diepste wezenskern van het mens-zijn - dit is de reinheid in de persoonlijkheid en de schoonheid van de oprechte houding.

Maar ik wil niet lang over deze situatie, zoals ze tegenwoordig is, spreken, want deze situatie in haar dramatiek spreekt voor zich en roept vandaar letterlijk om een veel dieper begrip in alle pedagogiek, onderwijstradities en de noodzakelijkheid van een waarachtige zelfopvoeding. Het doel van deze voordrachten moet niet een idealiseren van wereldvreemde mogelijkheden zijn, maar er moet door de woorden, zoals ze gesproken worden, een eerste innerlijke vorming, verbonden met opmerkzaamheid en gewaarzijn ontstaan, die de ontwikkeling van een reinere zin in de persoonlijkheid en een wijder begrip over het wezen van het mens-zijn verschaft. Om die reden worden de uiteenzettingen over methoden van het onderwijzen pas op een derde en minder belangrijke plaats vermeld, en zo worden vooral die gedachten aangesproken, die tot een invoelend en inniger begrip van het Zijn leiden. In nog niet lang verleden tijden kende men nog de betekenis van “ordo essenti est ordo agenti”, wat zo veel betekent, als: De orde van het Zijn bepaalt de orde van het handelen. Voordat we dus de handelingen, methoden en structuren voor een onderricht kunnen bepalen, hebben we de basis van tenminste enkele inzichten in het wezen van de hoogste ziel nodig, die het ordeningsprincipe voor al het Zijn is, en in de wet van het worden van de ziel in het aardse lichaam. De ziel mag echter, en daarop moet ik met nadruk wijzen, niet met een gevoel of een vergankelijke, psychische indruk verwisseld worden. De ziel in de mens is een onsterfelijk Zijn, en deze ziel bezit diepe wetten, die zich via het lichaam of via psychische reacties uitdrukken. Ze is echter niet het resultaat van het lichaam, en ze is ook niet aan de vergankelijke verschijningswereld enkel en alleen gebonden. De ziel is het verbindend deel tot het geestelijke, en ze behoort tot het lichaam, maar meer nog behoort ze tot dat, wat we met het begrip “God” benoemen.
 
 

III

Deze dagen dienen ter verdieping in de wezenswet van het Zijn of, duidelijker uitgedrukt, in de natuur van het geestelijke wezen in ons. We brengen het licht van de opmerkzaamheid op een de psyche overstijgende oergrond, die we met normale begrippen enkel zeer moeilijk bevatten en die we daarom enkel in zeer zorgvuldige, goed afgewogen analogieën, gelijkenissen en imaginatieve beschrijvingen kunnen weergeven. De beschrijvingen zijn het resultaat van een geestelijk onderzoek, waarbij de blik niet enkel op de zintuiglijke verschijningswereld gericht blijft, maar waarbij dit grotere Zijn of die veelomvattende levenswet uit het geestelijk-ziels Zijn in de observatie mee opgenomen is. We leven waarachtig niet enkel in een begrensde tijd binnen de markante gebeurtenissen van geboorte en dood. Het leven houdt na de dood niet op. Misschien zullen sommigen niet aan dit verder existeren van een ziels- of geestelijk bestaan geloven, en misschien zullen enkelen deze zienswijze vandaar uit de ervaring volkomen uitsluiten. Of we aan een preëxistentie van de ziel voor de geboorte geloven en of we hiermee een reïncarnatieleer, die voor het Oosten typisch is, impliceren, hoeft voor onze beschouwing van de opvoeding nu eens niet zo belangrijk te zijn. Het is enkel belangrijk, opdat we tot rationele resultaten en duidelijke indrukken komen, dat we onze blik boven de zintuiglijke wereld uit verruimen en een hogere wet aannemen en leren beamen, die aan het individuele alsook het universele mens-zijn in alle deelgebieden en levensjaren ten grondslag ligt. Het Zijn bepaalt het wordende, en dit Zijn leeft in het wordende. Het leven stroomt van de goddelijke geest uit en uit zich in de oneindig gedifferentieerde veelheid van een individuele gestaltewording, en het uit zich in een immense uitdrukkingskracht van de persoonlijke wil. Deze persoonlijke wil is een heilig geheim, en hij is onaantastbaar, en toch heeft hij door de opvoeding een juiste sturing en een bevordering ter ontwikkeling nodig.

Deze studie in de vorm van contemplatieve of meditatieve beschouwingen ten aanzien van het wezen van het mens-zijn is in waarheid een diepreligieuze studie of, zoals we misschien in ons cultuurgebied zeggen, een christelijke studie. Het is een levendige studie van het leven en zijn wet, hetgeen zich in een onafzienbare veelheid uit. De christelijke geest in deze woorden kan misschien voor het gehoor van een atheïst pijnlijke gevoelens oproepen en daardoor een afwijzing bewerkstelligen. Een belangrijke wens van deze uiteenzettingen ligt echter noch in de postulering van bepaalde morele tradities noch in een confessionele belering. De studie in de zin van een christelijke, religieuze of algemeen innerlijke zielsrealiteit leidt ons veeleer dichter bij het scheppende levensgeheim van de wil. Het begrip van de religie moet vooreerst eens heel algemeen genomen worden, zonder indeling bij een bepaalde traditie of confessie. De religie met haar geheimen is echter voor de opvoeding belangrijk. Daarmee raken we het grote geheim van de schepping of het Zijn in het wordende of ook het geheim van ons mens-zijn. We raken het mysterie Magnum, het Zijn van het hoogste in de wereld. Opdat deze uitspraak nog heel concreet wordt, moet ze eens met een vraag verduidelijkt worden: Waar leeft dit mysterie in zijn zelfbewuste gestalte? Het leeft in het mens-zijn, dat zich door het persoonlijke en bewuste leven een eigen ruimte voor zelfontplooiing kan verschaffen, een zelfstandige ontwikkelingsweg kan gaan en zich een oneindig wijde zin voor de schepping zelf kan eigen maken.

Vroeger waren de wegen van de wetenschap, de kunst en de religie nog niet van elkaar gescheiden, op zijn minst waren ze meer met elkaar verweven dan tegenwoordig. De scheiding van de drie grote zuilen van de mensheid, die het dragende fundament voor de lichamelijke, de ziels- en geestelijke ontwikkeling weergeven, is wellicht een noodzakelijkheid van onze tijd. Daardoor worden de gebieden van het kunstzinnige, wetenschappelijke en religieuze veel gedetailleerder bewust; de scheiding bezit echter een onmetelijk aantal nadelen en zelfs gevaren voor het mens-zijn en de cultuur. De wegen van de nabije en verre toekomst moeten weer meer tot een toenadering en uiteindelijk ook tot een diepere verbinding leiden. Zolang de wetenschap van de religie volkomen verwijderd is, kan ze niet werkelijk een antwoord op de vragen van het mens-zijn geven. Maar ook de religie, die van de kunst en van de wetenschap gescheiden is, kan voor zich alleen geen werkelijk krachtige en verheffende overtuiging verkondigen. De wegen van de toekomst moeten meer tot een synthese leiden, die haar midden, eenheid en ontwikkeling in het persoonlijke leven vindt. Zo ver deze drie zuilen nu ook van elkaar verwijderd zijn, zo zeer moeten ze weer hun aanraking in de harten en de gemoederen van de mensen vinden.
 
 

IV

In de ontwikkeling en in het opgroeien van een kind kunnen er tot aan de volwassen leeftijd drie verschillende levensperioden onderscheiden worden. Deze verschillende levensperioden zijn ongeveer in stappen van zeven jaar zichtbaar. Ze eindigen met de volwassen leeftijd, die met het eenentwintigste levensjaar de puberteitsfase afsluit. Op dat moment is ook de puur fysieke groei van het lichaam volledig afgesloten. De ontwikkelingsprocessen na het eenentwintigste levensjaar zijn in toenemende en stijgende mate uitsluitend psychische ontplooiingsperioden, die door de gedachte en de gedachtenvorming gedragen zijn. In de volgende uiteenzettingen richten we ons vooral op de opvoeding, die we in de eerste drie periodes van zeven jaar, dus op kinderen en jongeren uitoefenen. Het zeven-jaren-ritme kenmerkt ons leven en beschrijft geestelijke onthullingprocessen, die vanuit een hogere sturing aan het mens-zijn opgelegd zijn. Ze constateren de waarheid van ritme en zijn betekenisvolle werkmachtigheid. In de zeven-jaren-ritmen drukken de macrokosmische, chronologisch afgestemde fasen van het astrale gebied zich uit. Zeven planeten regeren hoofdzakelijk ons innerlijk gemoedsleven. In alle tijdsfasen van het verleden zag de mens de werkzaamheid van de planeten en hun onthullende, substantievormende, gestaltevormende en vrucht voortbrengende invloedskracht. Zeven is het getal, dat imaginatief en wetenschappelijk aan het Zijn in het aardse en bewogen leven ten grondslag ligt. Ons leven is gevormd door de verschillende ontplooiingsprocessen van periode-van-zeven-jaar tot periode-van-zeven-jaar.

De eerste periode van zeven jaar bezit karakteristieke kenmerken, die we wel het meest treffend als een subjectief zich-éénvoelen met de wereld kunnen beschrijven. Een klein kind voelt zich ongescheiden verenigd met de moeder, en het voelt zich met alle objecten van de omgeving direct vertrouwd. Die splitsing in een ik en een niet-ik of in subject en object, die ons door de bewustzijnsaanleg in het denken en waarnemen gegeven is, is bij een kind nog niet werkelijk geboren. Een kind voelt zich in de vertrouwde omgeving thuis en één en beleeft de omgeving geheel als het eigen thuis. Zeker bestaat de angst voor vreemde personen en voor vreemde ruimtes, doch deze angst is nog niet geobjectiveerd, maar hij is geheel natuurlijk de hindernis voor het nieuwe en bevreemdende, dat tot een overbelasting en hiermee tot een bedreiging voor de eigen belevingsruimte wordt. Het gewaarworden van het éénzijn is nog heel diep in het subjectieve beleven en ongedeelde opnemen van de buitenwereld aangelegd.

Deze periode van zeven jaar beschrijft de oerbasis, waarop zich het oervertrouwen en de latere gedegen stevigheid in de houding ontwikkelt. De jaren tot aan het begin van de school zijn de diepste, meest inprentende en zodoende meest betekenisvolle levensjaren, waarin zich die capaciteit ontwikkelt, die men als aanleg en erfenis beschrijft. Ze vormen de wortel voor het leven, en ze vormen het oervertrouwen, dat voor de gehele latere tijd tot aan de ouderdom blijft bestaan. Deze eerste periode van zeven jaar zullen we ons nog veel nauwkeuriger met afzonderlijke vragen eigen maken, en we zullen daarmee tot een van de wezenlijkste opvoedingskenmerken respectievelijk opvoedingswetten komen. Iedere periode van zeven jaar bezit in de betekenis een diepe, wijze uitspraak, die zich als een centraal zingebeuren uit en in veelzijdige specificaties en details de weg in het uiterlijke leven gaat.

Opdat we deze periode van zeven jaar van de tweede en derde periode van zeven jaar afgrenzen, moeten ter informatie deze beide navolgende perioden van de ontwikkeling nog geschetst worden. Ongeveer met het begin van de schoolrijpheid rond het zesde of zevende levensjaar ontwaakt de kleine pupil voor de eerste keer voor een gewaarworden van de werkelijkheid van de buitenwereld. Hij bekijkt de leraar die tegenover hem staat of het materieel object niet meer uit de een-eenheid-vormende en versmeltende blik, maar uit een reeds concreter gevoel van waarnemen van het werkelijk andere. Het object verschijnt misschien nog steeds zeer overweldigend en fascinerend, vergelijkbaar met de fascinatie van een licht, dat een kind in de eerste periode van zeven jaar met stralende ogen ontdekt. Er verschijnt nu iets groters in het gevoel, dat zich vormend en fascinerend voor de ogen opent. Een diep opkijken en een bewuster voelen van iets dat waarachtig in de wereld gegeven is ontstaat. Maar nog is dit bewustzijn zeer projecterend, idealiserend en misschien in een toch zeer grote mate nog dromend. Dit dromende, opkijkende bewustzijn komt overeen met de tweede periode van zeven jaar. Deze tweede periode van zeven jaar vormt vooral het innerlijke gewaarwordingleven en de kracht tot een vroom geloof in de aanleg van het hart.
Met het begin van de puberteit, die bij meisjes meestal iets vroeger start dan bij jongens, begint weer een nieuw ontplooiingsproces, dat verdere onbekende kiemen in de jeugdig wordende mens vrijmaakt. Ook in deze ontwikkelingsfase is een wijze opvoeding en een leiding nodig, want nog bestaat voor de jongen of voor het meisje niet de wijdte in de beoordeling en de rijpheid in de persoonlijkheid, opdat het leven van zich uit een leiding zou kunnen verkrijgen. De opvoeder moet ook hier met de juiste middelen ingrijpen, opdat hij de persoonlijkheid niet in de verkeerde zin beperkt en van de vrijheid berooft en daarbij aan het stormachtige dringen en de hartstochtelijke expansies van de jeugdige leeftijd toch beantwoordt. Hier in deze leeftijd ontwikkelt zich een duidelijke persoonlijke houding en een eerste rangschikking van het bewustzijn. De ontwikkelingsweg in de derde periode van zeven jaar is door deze ordening of persoonlijke indeling in de hogere basisprincipes van het maatschappelijke systeem gekenmerkt. Hier wordt de mate van de activiteit en haar zinvolle integratie, die deze eigen scheppende zijde in het leven inneemt, bepaald.
 
 

V

Uitgaand van deze hogere beschouwing komen we tot een diepere verklaring van de verschillende deelgebieden van de opvoeding en kunnen daaruit een concreet handelen tot stand brengen. Er moet echter gezegd worden, dat dit tot nu toe beschreven schema van de periodes van zeven jaar niet enkel een theoretisch model als een uiterlijk hulpmiddel voorstelt, maar dat het bij deze gedachten vanaf het begin om een werkelijkheid gaat, die zich door praktisch en direct onderzoek bevestigt. Het hogere, grote, zich vanuit een geestelijk niveau vormende bewustzijn van het Zijn werkt in alle specificaties en individuele uitingen op de ontwikkeling in en bepaalt daardoor het wezen in de wil, in het gewaarworden en in het denken. De gedachten beginnen hier, in deze voordrachten niet, zoals men gewoon is, in de afzonderlijkheid, maar ze beginnen in de wijdte en leiden van deze uitgaand tot het bevatten en begrijpen van het verschijningsbeeld in het detail.

Een concrete onderscheiding, die men tegenwoordig nauwelijks meer kent, die echter voor een rationele en toch geestvolle, vervullende opvoeding noodzakelijk is, kan met de vraag dichterbij gebracht worden: Welke gebieden mogen door ons direct wilsmatig handelen bij het kind geraakt worden? Waar moet de opvoeder werkelijk ingrijpen, leiden, sturen en onderwijzen? En waar moet hij bewust aan de natuur haar taak onaangeroerd toevertrouwen? Deze vragen zijn tegenwoordig, voor zover ze enigszins nog onderwerp van discussie zijn, in een diepe duisternis gekleed. Het lijkt tegenwoordig zelfs helaas het geval te zijn, dat men hier juist tegen de natuur werkt en de wet van de opvoeding zodanig verkeerd begrijpt, dat als resultaat uiteindelijk de kinderen de ouders opvoeden, in plaats dat de ouders de kinderen leiden en voor het leven voorbereiden. Maar hoe nu ook de tendensen in ons maatschappelijk systeem zijn, het is nu eens belangrijk, uit een eigen scheppende beschouwing deze vraag zeer nauwkeurig te doorgronden. Opdat we ze enigszins begrijpelijk maken, is er een absoluut noodzakelijke opmerkzaamheid voor het wezen van het kind nodig en verder een aanvoelen van dit wezen, dat we als ziel beschrijven. De ziel is de geheimzinnige burger, die de oorzaak voor het lichaam vormt, en deze ziel blijft in een andere verhouding dan het lichaam, ofschoon de ziel in het lichaam steeds meer tot haar voleinding en heelheid streeft. Doordat het licht van de beschouwing op dit geheim gericht wordt, ontstaat een beginnend bewustzijn voor de betekenisvolle vraag van het opvoeden: Waar en wanneer grijpen we in de wil van het kind in en breken hem daarmee misschien, en waar en wanneer laten we de natuur van de zich ontplooiende wil in het kind te zeer toe?

Deze vraag kan misschien eens in een heel algemene formulering door een voorbeeld opgelost worden: stellen we ons het leven als een oneindig stromend water voor, dat uit zichzelf een beweging vertoont en overeenkomstig de zwaartekrachten het dal in stroomt. Dit water begint in fijne stroompjes, die zich tot bergbeken verzamelen en in rivieren uiteindelijk de wijde oceaan toestromen. Het water neemt de weg altijd van een hoger naar een lager niveau, of anders uitgedrukt, het neemt de weg tot de aarde. Het leven, zoals het in de oorspronkelijke en eenvoudige zin ons allen gegeven is, neemt de weg, die het uit de wijze wetmatigheid gekregen heeft. Deze weg leidt in uiterste consequentie steeds tot God, hij leidt tot volmaaktheid, hij leidt van de eindigheid in de oneindigheid. De oneindigheid is echter niet een ver van de wereld zijnde en utopische bewustzijnsdimensie, ze is veeleer geest en liefde, en ze is aarde en materie en leven in de reine zin. De weg tot God voert niet in een gescheiden hemel, zoals men zou kunnen geloven, hij leidt tot inzicht in de materie en tot nabijheid en verzoening ermee. Zoals het water eens in de oceaan uitmondt, zo mondt het leven van een gescheiden-zijn in het bewustzijn ooit weer in een oneindige, maar rijpere en hogere bewustheid, in een zelfstandige bewustheid van de geest uit. Deze weg van het bewustzijn kan men als een ziels-geestelijke weg beschrijven, die in het geheim als hoogste doel het alles verenigende midden, dat we God noemen, zoekt. De hoogste wil van ons mens-zijn is door God gevormd. Het is een universele, oneindige en volmaakte wil.

We weten in het diepst van ons hart, dat de wil van de mens onaantastbaar is. In zoverre zouden we ook in die verzoekende neiging kunnen vervallen, de wil van het kind volledig aan de instincten en driften over te laten en het in ieder opzicht anti-autoritair te laten begaan. De opvoeding zou dan enkel nog de waarde van een verzorging en misschien een dienst in een bedachte, geïdealiseerde, reeds voleindigde wereld verkrijgen. Met deze voorstelling zou men nooit de kracht van de driften en de instinctieve onderbewustheid tot een hogere scheppingskracht en karakterstructuur verheffen. Vergeleken met ons voorbeeld zou dit betekenen, dat al de rivieren nooit “gekanaliseerd” zouden moeten worden, om hun baan en richting tot de zinvolle doelen te vinden. Maar dan zouden ze nu eens de velden en dan weer de huizen overstromen, en ze zouden een andere keer het akkerland laten verdorren. Zoals de wateren op de aarde een kanaliseren behoeven, zo hebben ook de jonge mensen in hun driftaanleg en instinctieve wilsnatuur een leiding en instructie nodig. Deze leiding en instructie moet in ieder geval eisen behelzen, en ze moet misschien in menig opzicht op een eerder draconische wijze doorgezet worden.

Het is echter zeer belangrijk, dat we dit meest innerlijke en onaantastbare gebied, dat met het onzichtbare zielsleven in verbinding staat, in acht nemen en de kinderlijke wilsnatuur de scheppende ruimte voor zelfontplooiing geven, die het leven zelf tot een persoonlijkheid verheft. Deze innerlijke ruimte, die nog fijner is dan de zich uitende gevoelens of de kinderlijke behoeften, willen we eens zeer zorgvuldig bestuderen, we willen haar zien, aanvoelen en in de engelachtige, reine levendigheid herkennen. Deze studie is in deze zin een geestelijke, uiterst fijne en achtzame studie, het is een studie van het Zijn van de ziel en de heilige, onaantastbare werelden, die zich op subtielste en meest verborgen wijze in het leven uiten.
 
 

VI

We willen ons nu iets uitvoeriger met de eerste periode van zeven jaar bezighouden. Deze periode van zeven jaar vormt de wortel- en ankergrond zowel in het lichaam alsook in de meest innerlijke stabiliteit van het wezen. Bij de beschouwing van deze periode van zeven jaar is het zeer belangrijk, de opmerkzaamheid in een bijzondere concentratie op de ouders en de volwassenen te richten, die met de leiding en opvoeding van de kinderen belast zijn. Strikt genomen zouden we nu een indeling in een moederlijke rol en een vaderlijke rol moeten aanbrengen. Deze indeling is nu echter niet de kern van onze beschouwing, want de volgende observatie is ongeveer in gelijke mate voor de moederlijke en vaderlijke rol geldend. Van een natuurlijke observatie uitgaand komt men in de regel tot het inzicht, dat onze grootvaders en in het algemeen oudere personen bijna altijd meer persoonlijkheidsgevoel en uitstraling bezaten respectievelijk bezitten, dan dat jonge mensen vandaag de dag nog kunnen hebben. Men moet zich maar eens herinneren aan verschillende leraren, die door hun persoonlijke autoriteit werkten en voor wie de kinderen respect en eerbied opbrachten. De autoriteit zou nu niet met een autoritair-zijn, met een enkel streng-zijn verwisseld mogen worden. Een werkelijke autoriteit is door verschillende kenmerken, die bij een edel leven horen, gevormd: uitstraling, sympathie, rechtvaardigheid, warmte, doorzettingsvermogen, concentratie in het woord, oprechtheid in de houding, kunde in het vakgebied, overtuigingskracht door wijsheid en welsprekendheid, terughouding bij gelijktijdig bestaande persoonlijkheid. Dit zijn misschien de meer vaderlijke eigenschappen. De moederlijke eigenschappen zijn onvermoeibare vlijt, vroomheid, nabijheid en verbinding in het woord en in het gevoel, hartelijkheid, onovertroffen vaardigheid bij gelijktijdige wijsheid in het woord en fijnheid in het gevoel, intuïtieve kennis, schoonheid en een sensitief, soepel persoonlijkheidsgevoel, dat op waarachtige, wijde liefde berust. Een autoriteit, die door deze eigenschappen gekenmerkt is, om het even of ze nu eerder bij de moederlijke of vaderlijke soort in te delen zijn, of ze in een persoonlijkheid op verschillende wijze in aanleg aanwezig zijn, werkt heilzaam, opbouwend en overtuigend op de jonge, onberispelijke kinderziel.

De geheime melodie van de opvoeding is een allerhoogst kunstwerk en een allerhoogste scheppingskracht, die uit het allerinnerlijkste persoonlijke leven ontstaat en als een gloedvol vuur de omgeving verwarmt. Dit gloedvol vuur leeft in de pedagogiek en uit zich door de gekozen leerwijze, maar de vonk komt niet uit deze gebieden, maar ze komt uit de opvoeder en zijn autoriteit zelf.

Een werkelijke kennis verrijkt de uitstraling van de persoonlijkheid en maakt ze sympathiek, zacht en mooi. Een kennis, die niet enkel theorie is, maar zich in alle levenssituaties bewijst, een kennis over de meest innerlijke principes van de materie, van het leven en van de ziel wekt een nabij voelen op voor de materie en voor de medemensen en straalt op de op te voeden kinderen harmonisch af. Niets is meer belastend en moeilijker voor de jonge, zachte kinderzielen dan de gecompliceerde psychologische handelwijzen, die een onhandige onnatuurlijkheid en een belastende vervreemding uitdrukken. De nabijheid en eenvoudigheid, de sympathie en natuurlijkheid zijn tekenen van een werkelijke autoriteit. Ze zijn het resultaat van kennis, maar de kennis is noch een intellectuele kennis noch een emotioneel idealiseren. Het is een kennis, die uit de wijsheid en het inzicht in het wezenachtige en geheimzinnige van de schepping geboren wordt.

We zijn tegenwoordig in onze persoonlijkheid en daarmee in onze uitstraling zozeer verzwakt, daar we wellicht in onze eigen opvoeding geen werkelijke wilsleiding gekregen hebben en door de levensvoorwaarden van de consumptiemaatschappij geen noemenswaardige offerverrichtingen moeten opbrengen. We zijn te zeer eraan gewend, het brood te kopen en een auto te rijden. Een leven met onvermoeibare inzet en arbeid en met een hoop op het eeuwige zielenheil na de dood is ons vreemd geworden. We streven niet meer werkelijk naar God en naar een volmaaktheid in menselijke, ethisch-morele en spiritueel-geestelijke zin. Om die reden kunnen we geen werkelijke autoriteit worden, en onze methoden van opvoeding verliezen zich in een hopeloos knoeiwerk van onnatuurlijke verzoekingen.
Een autoriteit berust steeds op waarachtige waarden, die door de tijden en zones heen hun gedegen karakter behouden. Zolang we enkel naar een uiterlijk zelfbewustzijn en naar materiële doelen streven, scheppen we scheidende gevoelens en een groeiende zielennood in het bestaan. Door het diepere zoeken naar waarheid en door een reële, moedige verwerkelijking van de hoge en hoogste waarden van het mens-zijn, ontplooien we een persoonlijkheid en een rationele autoriteit.

In de werkelijkheid van het leven en in de universele positie van het individu tot de schepping, tot de medemensen en tot God heeft de eerbied de hoogste waarde. De eerbied is het resultaat van erkenning, achting, liefde en overgavebereidheid. De edelste deugd van de eerbied, die alle andere deugden met een fijne frisheid bevochtigt, geeft de opvoeding de meest innerlijke klank en de kracht ter over-tuiging. Tegenwoordig echter is de eerbied verboden, en hiermee treden enkel uiterlijke, onzekere, eerzuchtige en machtswellustige persoonlijkheidsgevoelens op. In deze persoonlijkheidsgevoelens ontbreekt de werkelijke overtuigingskracht, en daarom kan de opvoeding geen werkelijke opvoeding meer zijn. (1)
 
 

VII

Onze persoonlijkheid werkt zo direct op de kleine kinderziel zoals de zon op de bloesem van een bloem. Juist in de eerste periode van zeven jaren is deze verhouding een directe en een-eenheid-vormende. Om die reden wordt het begrijpelijk, waarom we de opvoeding niet enkel tot de methode mogen beperken, maar ten eerste op onze eigen volmaaktheid en reinheid moeten richten. Wat zou het voor een waarde hebben, wanneer we een betere psychologie in de omgang met de pupillen zouden vinden en daarbij een negatieve, ontwrichtende uitstraling zouden bezitten? Wat zou het voor een waarde hebben, wanneer we van opvoeding spreken en over theoretische formules zouden discussiëren en daarbij zelf aan ons geen opvoeding zouden uitoefenen? We zouden leugenaars en bedriegers zijn. De opvoeding is van de graad van onze reinheid afhankelijk en bezit steeds enkel de mate van overtuigingskracht, die we uit onvermoeibaar offer en liefde voor volmaaktheid verworven hebben.

Hoe belangrijk deze eigen straalkracht en gedegen stevigheid in de houding is, laat ons ook een verdere geestelijke observatie over de eerste periode van zeven jaar zien. In deze eerste periode van zeven jaar werkt een volmaakte, reine wil voor de schepping van de vormstructuur van de organen en voor de eerste vorming van het lichaam. Direct na de geboorte heeft het kind nog geen echte vorm. Het is week in de ledematen, en zelfs het hoofd ontwikkelt zijn significante vorm pas later. Tot het begin van de schoolrijpheid worden in deze zo belangrijke kinderlijke levensjaren de organen in hun vormstructuur en stevigheid geschapen. Alhoewel de groei enkel voor een bepaald deel afgesloten is, vormt zich toch in de organen, zowel in de stofwisselingsorganen van de buikruimte alsook in de zenuwen en in de hersenen, een soort stevigheid en een steun, die voor het gehele leven van beslissend belang is. Van deze stevigheid in de organen hangt de toekomstige fysische en psychische gezondheid van het kind af.

Voor onze aanschouwing wordt het nu zeer interessant, de fijne verschillen, die zich in deze levensperiode door de ontplooiingsprocessen vertonen, te onderzoeken. Opdat we enigszins een zin voor de ontplooiingsprocessen van de kinderziel verkrijgen, is het zeer belangrijk, dat we ons in het wezen van deze zachte zintuiglijke wereld in het kind verplaatsen. Het kind is met drie, vier en ook nog met vijf of zes jaar als een fijne dauwdruppel aan het ochtendlijk blad. De zon schijnt op deze dauwdruppel en neemt hem langzaam van het blad. De zonnestralen werken door deze sensibele dauw heen en raken het gehele plantenwezen. Een kind is in deze periode van zeven jaar zo zacht en doorzichtig, zo onbeschut en vrij en zo sensitief en rein als deze druppel. Zoals de zonnestralen door de dauwdruppel heen stralen en hem langzaam opnemen, zo is het ook gesteld met de invloed door ons volwassenen in de opvoeding. We werken met ons wezen en onze autoriteit onmiddellijk en direct op het fijne organisme van het kind.

Hoe voelt een kind in deze levensjaren? We hebben reeds aangeduid, dat in de jonge kinderziel nog een een-eenheid-vormende en daarmee puur subjectieve belevingswereld heerst. De ogen van het kind blikken al gauw na de geboorte naar buiten en beleven de verwarmende zorg van de moeder. De moeder zelf geeft zich aan het kind en wordt door de ziel van het kind direct opgenomen. Er bestaat geen scheidende barrière en hiermee geen ik en jij. De ogen van het kind zien de buitenwereld en nemen aan deze buitenwereld zo intensief en direct deel, dat deze tot de eigen innerlijke wereld wordt. Een kind voelt zelfvergeten, en zodoende is de buitenwereld de eigen wereld in het innerlijk. Zoals de dauwdruppel met het verwarmende zonnelicht versmelt, zo versmelt het wezen van het kind met de uiterlijke wereld. Dit proces kunnen we beeldend met een tekening verduidelijken.

Welke betekenis heeft nu dit directe, grenzeloze werkingsveld van buiten- en binnenwereld voor de ontwikkeling? In deze periode van zeven jaar beweegt een oneindige klank in de wil, die noch een begin noch een einde bezit. De wilskrachten werken op geestelijke wijze onaangeroerd en rein over de zachte kinderziel. Dit kan men aan de eerste onbeholpen bewegingen zien, die uit een puur vitale stof-wisseling ontspringen en stilaan geheel tot het hogere functiesysteem van de hersenen en de zenuwbanen naderen. Met de ontplooiing van de vitale stofwisseling tot een eerste vorm en vormstructuur ordent zich pas de volkomen ongedifferentieerde en centrale aanleg van het zenuwstelsel en de hersenen. Met de aanleg van de hersenen ontstaat - alstublieft stoort u zich niet aan het begrip - de oervormingskracht of de oervormkracht in de organische aanleg. Dit begrip wordt gewoon door mij gekozen, om een geestelijk feit te formuleren. Het zal vermoedelijk in deze samenhang niet in een woordenboek te vinden zijn. Het is een aanleg in de organen, die zich zo diepgaand en blijvend in het innerlijk van het kind inprent, dat hij enkel onder de meest moeilijke inspanningen in latere jaren corrigeerbaar is. Men zou misschien deze oervormingskracht bij benadering met een innerlijke kracht van de aarde, en hier in deze zin, met het lichaam in zijn oerelement kunnen vergelijken. De oervormingskracht is ook als de meest innerlijke vormstructuur van een mineraal. De vormstevigheid of meest innerlijke oerformatie vormt de dragende basis voor het latere leven en bewustzijn.

Het is een van de grootste catastrofen met oneindige gevolgen voor de toekomst en de mensheidsontwikkeling, dat juist in deze eerste periode van zeven jaar de kinderen blootgesteld zijn aan een zenuwoverbelasting en een te emotionele of intellectuele opvoeding, die ze in hun oeraanleg en vormstructuur van het centrale zenuwstelsel reeds zo ver verzwakken, dat ze later geen duidelijke en gedegen houding meer kunnen voortbrengen. Er bestaat een wezenlijke samenhang tussen de eerste periode van zeven jaar in zijn gunstige ontwikkeling en de latere, meest innerlijke oprechtheid en stevigheid in de houding. Hoe aantrekkelijk, verfrissend en bevrijdend werkt dit gebaar van de begroeting, dat zich bij ons in het Westen door de zekere handdruk en vaste blik tot elkaar vertoont. Hoe heilzaam, sterkend en het samenzijn bevorderend werkt die menselijke ziel, die de waarheidsrede met een duidelijke houding en een natuurlijke zekerheid naar buiten toe vertegenwoordigt. Hoe aantrekkelijk uit zich een zekere en zelfstandige, alsook eenvoudige en natuurlijke, het leven tegemoetkomende, praktische handelswijze. Deze eigenschappen kan men in latere jaren niet meer gemakkelijk verkrijgen, want ze hebben de organische stevigheid en de meest innerlijke substantie in het zenuwstelsel nodig. Om die reden is de eerste periode van zeven jaar voor de opvoeding zeer belangrijk en verdient de verdere aandacht.
 
 

VIII

Deze observaties zijn uit een geestelijk schouwen of uit een diepe imaginatie ten aanzien van de geestelijke samenhangen verkregen. De imaginatieve gedachten in deze voordrachten worden in een systematische volgorde geuit, zodat de luisteraar deze weg tot de geestelijke wetmatigheden in de opmerkzaamheid, in het gewaarzijn en uiteindelijk in de inzichtsontwikkeling leert begrijpen. Een moeilijkheid hiervoor vormt de huidige heersende intellectualiteit van onze observaties, die ons verhindert, tot in de materie en haar inliggende logica door te dringen, of, zoals de filosoof Kant het geformuleerd heeft, het “ding op zich” werkelijk te raken. Onze pedagogische modellen en psychologische formuleringen zijn realiteitsvreemd en hiermee uit de werkelijkheid van de gehele samenhang met het meest innerlijke Zijn gelicht.

Zo rijst echter de belangrijke en praktische vraag, hoe de opvoeder de meest innerlijke oervormingskracht en de meest innerlijke vormstructuur in de organen verstevigt en daarmee een goede en gezonde basis voor het latere leven voorbereidt. Op welke psychische gebieden moeten de ouders letten, om het kind in de reinheid van de wil zo ver als mogelijk te bevorderen en de aanleg van het zenuwstelsel alsook van de hersenen in de gedegen stevigheid te ondersteunen? De be-antwoording van deze vraag wordt eenvoudig, wanneer we ons het wezen en gewaarworden van het kind nog eens bewust maken. We werken met onze persoon onmiddellijk en direct op de zachte, onbe-schutte kinderziel. Het kind neemt ons als opvoeder direct in zijn eigen wereld op. Zo neemt het kind onze angsten op, het neemt onze karakterstructuur onbewust in zich op, het neemt onze uitstraling en onze gedachten verborgen en ongezien mee in de organen op, en zo vormt zich de kinderlijke aanleg. Echter niet enkel ons als opvoeder neemt het wezen van het kind op, alle andere krachten, die in de kinderkamer, in het huis, erf, tehuis en op de vakantietrips werken, worden tot op zekere hoogte deel van de binnenwereld in het jonge organisme. Om deze redenen is er een grote zorgvuldigheid in de vorming van de omgeving nodig. Hier wordt het zeer belangrijk, mensenmassa's alsook geluid en onrust weg van de kinderzielen te houden, en het is ook belangrijk, radio en televisie van het onbe-schermde en openliggende zenuwstelsel van de kinderen rigoureus te distantiëren.

Meteen wordt hiermee het centrale probleem van onze eigen houding duidelijk. Hoe moeten we van onze kinderen een televisie met zijn bestendig prikkelende, reclame makende en bedwelmende projecties weghouden, wanneer we zelf daarvan afhankelijk zijn? Hoe is het mogelijk, een werkelijk kindervriendelijke en zuivere omgeving te creëren, wanneer ons zenuwstelsel hopeloos overprikkeld en ons innerlijk leven door duizenden indrukken uitgeput is? De kinderopvoeding begint in eerste instantie bij onszelf. De zelfopvoeding heeft niet enkel betrekking op het lezen van pedagogische boeken, en ze is ook niet enkel op de poging van een verbeteren van kleinigheden gericht. Ze moet, om aan de verantwoordelijkheid te voldoen, een krachtige, doelgerichte, onvermoeibare en wijze inspanning om volmaaktheid in het karakter, om reinheid in de gedachten, om straalkracht in de persoonlijkheid en om liefde tot God en alle mensen en wezens in deze schepping zijn.

Velen echter zullen deze inhouden tegenspreken en zullen ze als realiteitsvreemd ongeveer met de woorden afwijzen: “Hier wordt ons gezegd, dat wij als ouders en zich zo inzettende opvoeders niet bekwaam zijn, onze kinderen op te voeden.” Wanneer men op deze wijze denkt en zich hiermee op het kleingeestige standpunt van de subjectiviteit terugtrekt, verloochent men de belangrijkste en de centrale zin van het mens-zijn. En dat is de oneindige inspanning om de hoogste rijpheid, om het heil van de ziel en om de zin van het leven. Men zou de scheppende kracht, die voortdurend naar God streeft, ontkennen.

Een verdere, praktische samenhang tot deze meest innerlijke houding, tot de oprechtheid en de betekenis van de organisch, vaste zenuwstructuur is misschien nu op deze plaats wat moeilijk te bevatten. Denken we ons echter weer in de innerlijke situatie van het kind in en voelen we aan, hoe onze of misschien ook andere personen op het kind werken. Het is een nagenoeg gewoon feit geworden, dat we zelf vanuit een gevoelsmatige binding onze kinderen voor onze hoofdzakelijke levensinhoud nodig hebben. We scheppen onbewust uit gebrek aan inzicht in de wereldensamenhangen en uit gebrek aan werkelijk geleefde religie een afhankelijkheid tot diegenen, die ons toevertrouwd zijn. Een natuurlijke gevoelsrelatie tot de jonge, engelachtige kinderwezens is belangrijk en in ieder geval in overeenstemming met de natuur. Waar echter ligt de grens tot de ongezonde psychische afhankelijkheid? Ze ontstaat steeds dan, wanneer we geen groter doel hebben, dan de vergankelijke verschijningswereld binnen de grens van geboorte en dood het toestaat. We scheppen onbewust een ongezonde afhankelijkheid en een nagenoeg onuitwisbare symbiose ten opzichte van onze kinderen door de ontbrekende doelstelling tot dit groter doel en ideaal, dat de sterfelijke zintuigen overstijgt. De gedachten kunnen niet werkelijk vrij, onbevangen en zonder angst op de zachte, opgroeiende ziel werken. Onbewust stroomt een angst op de kinderen over, wanneer bij ons ouders de doelstelling tot een groter ideaal ontbreekt.
 
 

IX

De leven schenkende oprechtheid, die uit de gezondheid van de innerlijke organen en uit de stevigheid van de hersenen voortkomt, verkrijgen de kinderen door onze persoonlijke autoriteit en door ons innerlijk alsook uiterlijk voorbeeld. Het verschil is zeer zwaarwegend, of we ons in een onafhankelijke, vrije toestand bevinden en de kinderen daardoor niet voor ons als enige levensinhoud behoefen of dat we ze nodig hebben. Hoe duidelijker en hoe beter geordend ons plichtsbewustzijn tot een groter doel van het leven is, des te omvattender is voor ons een vrije en reine liefde tot de kinderen mogelijk. De onafhankelijkheid en oprechtheid krijgen we door de genade van God. Ze valt ons ten deel. Zouden we de autoriteit bij onszelf volgens eigen keuze kunnen bepalen, dan zouden we enkel autoritair zijn of in een uiterlijke dominantie leven. Om die reden is het belangrijk, dat we als opvoeder het hoge doel van de goddelijke genade in oprechtheid en ononderbroken zoeken nastreven. We kunnen nooit het werkelijke voorbeeld en de werkelijke autoriteit zonder die bovenaardse toe-stroom van genade bereiken.

Maar, zullen veel ouders hier tegenwerpen, onze kinderen gedijen goed en gezond, alhoewel geen religieus zoeken bewust plaatsvindt. Het is mooi, wanneer de kinderen gedijen en gezondheid uitstralen. Voor de toekomst zal het echter voor een steeds groter aantal ouders belangrijk worden, een groter doel dan de aardse welstand en een gelukkig thuis na te streven. Anders zullen ze niet werkelijk de weg van de vrijheid voor de kinderen openen. De huidige tijd en vooral ook de komende tijd behoeft steeds meer de realistische doelstelling van een transcendent, hoog ideaal, dat door zelfverwerkelijking en religieuze verwerkelijking daadkrachtig omgezet wordt.

Bekijken we de oervormingskracht in een heel concrete praktische beschouwing. Vroeger bestond er een relatief natuurlijk bewustzijn tegenover de dood en ook tegenover het fenomeen van het lijden. De voorouders, zoals bijvoorbeeld onze grootvaders, konden zonder grotere bezorgdheid nog gemakkelijker de moeilijke, schijnbaar het leven zo tegengestelde realiteitsniveaus aannemen. Waarom bestaat dat tegenwoordig niet meer? De reden hiervoor kan in ieder geval zeer globaal en eenvoudig aangevoerd worden. We aanbidden niet meer God, maar een puur materieel doel, een welbehagen in het aardse, een zo goed mogelijk, succesvol leven of een gevoelsmatig ideaal. Het transcendente, hoge en heilige geheim, dat in iedere mensenziel rust en tot een onsterfelijke dimensie behoort, en dat we algemeen als een eeuwig liefdesideaal in allergrootste grote vereren, bestaat voor ons bewustzijn niet meer werkelijk. Hoe meer dit doel uit het oog verloren wordt, des te meer nemen verzoekingen en ondefinieerbare afhankelijkheden toe. Het is waarachtig een zwakte in de meest innerlijke orgaanstructuur en vormgeving, die de gemoederen van de volwassenen tegenwoordig op hun eigen leven terugwerpt en een min of meer bewuste angst voor de dood voortbrengt. Deze angst voor de dood uit zich misschien in die projecties en gevoelens, die we anderen toedragen, en ze uit zich vooral ook in een overaccentuering van de eigen gezondheid. Normaal zou de plicht hoger moeten staan dan de gezondheid. Tegenwoordig echter neemt de gezondheid en de voorstelling van haar waarde de eerste plaats in en dan pas rijst de vraag naar de plicht in het leven. Door dit gevoelsgewaarworden en door de waardeverschuivingen ontstaan onafzienbare moeilijkheden voor de toekomst. Wij mensen moeten weer in de meest innerlijke persoonlijke en reine kracht groeien, opdat onze liefde een veel grotere, wijdere en vrijere wordt, en opdat we onze ons toevertrouwde pupillen in een waarachtige liefde tegemoetkomen.

De oervormingskracht, die bij kinderen in de eerste periode van zeven jaar gedijt, is voor later de meest innerlijke substantie van de persoonlijkheid. Ze is een buitengewone reine kracht, die nauwelijks haars gelijke vindt. Ze schenkt het leven een vrolijkheid van binnenuit en een diep gevoel van geborgenheid en van thuis-zijn. Ze schenkt gelijktijdig een heel diep vertrouwen in de aarde en in de transcendente, hogere en hoogste idealen. Oprechtheid, waarheidsliefde, sterkte in de houding, een bewustzijn van verzoenlijkheid en een vrij-zijn van angsten en ook van de angst voor de dood zijn het resultaat van een reine opvoeding door een duidelijke ouderlijke houding.
 
 

X

Een kind leert in de eerste levensjaren onmiddellijk en direct van de buitenwereld door observatie en een in gebaren, nabootsend proberen. Zo leert het kind door onvermoeibare wilspogingen de meest verschillende bewegingen, en het leert door de direct nabootsende observatie de spraak. Hier in deze periode van zeven jaar zou men een kind zo weinig mogelijk met leerformules moeten overbelasten. Het is ideaal, wanneer de jonge burger van deze aarde zich aan de toegewijde ouders volledig vrij kan oriënteren en zo de spraak en de nodige verrichtingen leert.

Dit leren geschiedt door een proberend aannemen en een lichaamseigen, autonoom vormen. Het kind neemt direct het wezen van zijn omgeving op, hetgeen zich steeds gedurende enkele dagen en nachten vormt en dan zijn uitdrukking met het lichaam misschien in een beginnend spreken of een nabootsend gebaar vindt.

Het gevaar in deze levensperiode is dan het grootst, wanneer de jonge, sensitieve wereldburger door te directe pogingen in de zin van onderwijzen vroegtijdig overvraagd wordt. De organen moeten helemaal vanuit zichzelf in hun vormgestalte door een in gebaren, nabootsend en naar binnen vormgevend actief-zijn van de wil in de vormstructuur groeien.

Nemen we echter nog een ander praktisch voorbeeld, hoe een overvraging in deze periode van zeven jaar zich voordoet. Een kind heeft absoluut een eenvoudige, rustige omgeving nodig en moet voor veel wisselende omstandigheden, onrust, geluid en zenuwprikkelende avondactiviteiten zo goed mogelijk behoed worden. De televisie is in ieder geval schadelijk, want ze spiegelt een realiteit, zelfs ook met relatief goede films, aan de zachte kinderziel, die niet werkelijk in het innerlijk opgenomen kan worden. De kinderen hebben eenvoudig speelgoed nodig, dat een ruimte voor de fantasievorming en beginnende werkzaamheid mogelijk maakt. Afgewerkte speelproducten zoals bijvoorbeeld een modelspoorbaan verschaffen niet meer de productieve, eenvoudige ruimte. Het meeste speelgoed is reeds voor wat de gedachte betreft te gecompliceerd. De zandhoop met enkele heel eenvoudige, misschien zelfgeknutselde werktuigen geeft de kinderziel een natuurlijke ruimte. Of een eenvoudige, zelfgemaakte stoffen pop, die in de vormgestalte nog helemaal niet echt uitgewerkt is, uit eenvoudige koorden en wolkluwen, maakt de ontplooiing van de fantasie en een heel ander, soepel actief-zijn mogelijk. Dit kan met een eenvoudige tekening op het bord eens verduidelijkt worden.

Hoe gecompliceerder en geperfectioneerder het speelgoed is, des te meer rooft het de actieve, scheppend-wilsmatige of werkscheppende zin en belast daarmee de organen in hun zuivere groei.

Een verdere belasting, waarmee de jonge kinderzielen zeer gemakkelijk geconfronteerd worden, ontstaat door de vormgeving van de kinderkamers of algemeen door het veelzijdige aanbod aan zoge-naamde kindervriendelijke materialen en projecten. Maar het is niet zo, dat nu de speelplaats bij het park veroordeeld moet worden. Het is een heel andere gedachte, die in de vele aanbiedingen van de huidige tijd doorklinkt. Onze wereld is in de commercialisering en in de expansie van zo veel mogelijk aanbiedingen meesterlijk. Overal leven de materiële interessen en dringen ons hun voorstellen op. Hoe meer we echter objecten nemen, om de kinderen tevreden te stellen, ze met speelgoed overstelpen, bevorderen we juist een belastend feit. De kinderen voelen de overbelasting wel niet bewust, maar toch in de diepte van hun ziel. De gedachten van de materiële consumptiegerichtheid, die in het kinderspeelgoed verborgen doorklinken, belasten in werkelijkheid het zenuwstelsel. Doordat we ons inspannen, een eenvoudige, niet beladen speelwereld voor het kind mogelijk te maken en onszelf wat tijd gunnen voor een eenvoudig, werkscheppend spel, doen we ze het grootste plezier. Misschien zullen de kinderen zich beklagen, wanneer ze aan de speelgoedwinkel voorbij moeten gaan. Onuitwisbaar zal het hen echter in hun latere jaren in het gemoed ten goede komen.

De betekenis van het spel voor de ontwikkeling van de kinderziel wordt vanuit dit standpunt reeds begrijpelijk. Het spel heeft weliswaar meerdere verdere inhoudelijke betekenissen, maar een hoofdpunt wordt nu begrijpelijk: Dit leren-kennen van de materie en dit zijn-weg-vinden met de zintuigen in de wereld van de materie is een van de belangrijkste leerstappen in deze nog subjectieve, onbewuste tijdsfase van de eerste periode van zeven jaar. In het spel hebben de kinderen een zo goed mogelijke, eenvoudige, praktische relatie tot de realiteit of de inhoud nodig. Alle gecompliceerde en te sterk gedifferentieerde en gespecialiseerde mechanismen van de buitenwereld werken op de kinderziel belastend. Door de gecompliceerde dingen van onze tijd worden de fijnste bouwstenen in de zenuwsubstantie en de hersenvorming vernietigd, en de kinderen worden later zwakker. Zo is het gunstig, voor de jonge, zich nog geheel in het instinctieve spel bevindende kinderen ten aanzien van de omgeving, het speelgoed en speelwijzen alsook ten aanzien van onze wijze van toewending en opmerkzaamheid een zo veel mogelijk nabije, eenvoudige en solide relatieopname voor het aanvoelen van de materie mogelijk te maken.
 
 

XI

Voor deze uiteenzettingen van vandaag moeten nog enkele medische samenhangen in een beschouwend licht geplaatst worden. Deze kunnen, om het kader van het thema niet te buiten te gaan, enkel zeer kort en in trefwoorden gegeven worden. De poliomyelitis, de klassieke kinderverlamming, treedt tegenwoordig wegens de overal bekende orale vaccinatie nauwelijks meer op. Ze is een ziekte met verlammingen, die tot een meer of minder intensief stadium van gehandicapt-zijn leidt. De geneeskunde spreekt van een paralytisch syndroom, dat, heel eenvoudig gezegd, zoveel betekent als ontbinding van het zenuwstelsel. Het paralytisch syndroom uit het centrale zenuwstelsel veroorzaakt eerst slappe verlammingen, die dan meestal in een stijf stadium overgaan. Deze gevreesde virusinfectie van het zenuwstelsel wordt echter tegenwoordig nauwelijks meer aangetroffen. Tegenwoordig verschijnen andere, maar equivalente ziektes van het zenuwstelsel. Deze ziektes zijn de zogenaamde psychosen of die ziektes, die men als typische geestesziektes benoemt.

Weliswaar hebben deze ziektes altijd al bestaan, maar tegenwoordig komen ze zeer veel vaker voor, en ze staan met de poliomyelitis ook in verband daar ze een heel overeenkomstige oorzaak hebben. Bij de kinderverlamming bestaat een zwakte in de organen, die meestal tegen de hun overbelastende zenuwinvloeden niet meer zijn opgewassen. Een virus dringt in het spijsverteringsstelsel en wordt door het immuunsysteem en door de orgaanstofwisselingskracht niet meer overwonnen, zodat het de weg naar binnen in het zenuwstelsel vindt. Wanneer het eenmaal in het zenuwstelsel binnengedrongen is, veroorzaakt het paralytische verschijnselen met zwaarwegende functie-uitval in de motorische en sensibele zenuwbanen. Weliswaar dringt bij de tegenwoordig zo veel voorkomende en steeds meer voorkomende ziekte, die wij als psychose benoemen, geen aantoonbaar virus in het zenuwstelsel binnen; de weg begint echter eveneens in het spijsverteringsstelsel, dat zwakker wordt en uit bepaalde gebieden van de organen geen werkelijk gedegen vorm kan behouden. Bepaalde organen zoals de lever, de longen of ook de milt werden in de eerste periode van zeven jaar in de vormstructuur niet helemaal ontplooid. Daardoor zijn ze tegen de aankomende zenuwimpulsen niet meer opgewassen en reageren met een ziekmakende invloed op de eiwitvorming. Uiteindelijk zijn, net als bij de kinderverlamming, de hersenen getroffen, en er ontstaat een psychotisch syndroom.

Het beste middel, om dit soort van ziektes te voorkomen, die over het algemeen dan in latere jaren zeer moeilijk te behandelen zijn, is de gedegen, natuurlijke en duidelijke opvoeding, die de kinderen voor overvraging behoedt en die uit een natuurlijk, zorgzaam, geordend en eenvoudig relatieveld tussen ouders en kinderen voortkomt. Een goede voeding met zo weinig mogelijk kristalsuiker en zo weinig mogelijk synthetische stoffen helpt voor de natuurlijke vorming van de orgaanstructuren. De kinderen zouden goede groenten, eenvoudige, licht verteerbare granen en melk moeten krijgen. De voeding zou echter hier een apart thema zijn. Hier moet ik naar de voortreffelijke boeken van Udo Renzenbrink verwijzen.

Voor de ouders is het beslist een heel moeilijke opgave om de kinderen met verantwoordelijkheid en solide gezondheidshygiëne het leven in te leiden. Vragen rijzen met betrekking tot de vaccinaties. Bewerkstelligen deze vaccinaties een werkelijk voordeel voor de gezondheidszorg, en geven ze de natuurlijke groei de nodige wilsruimte? Deze vraag kan hier in een opvoedingscursus niet volledig beantwoord worden. Want het is de vraag, of het beter is, in angst voor erge infectieziektes te leven, of de kinderen aan de vaccinatiebescherming over te geven. Hiermee verbonden is een verantwoor-delijkheid, de we enkel zelf kunnen overnemen; een ons tevredenstellend antwoord zal enkel uit een zeker begrip en een rijp levensgevoel voortkomen. In principe is het gunstig, wanneer de kinderen zich met de ziektes moeten bezighouden, hun immuunsysteem ontwikkelen en zodoende in het innerlijk orgaansysteem actief sterker worden. Iedere ziekte, die door het kinderlijk organisme overwonnen wordt, dit vooral met betrekking tot de koortsachtige infecties, doet de wilskracht en de stofwisselingskracht stijgen. De koorts is een heel belangrijk verschijnsel, dat zo weinig mogelijk onderdrukt zou mogen worden. Veertig graden koorts is bij een klein kind, dat een infectie heeft, niets bijzonders en ook niet per se gevaarlijk. Daarom is het heel belangrijk, dat de medische behandelingen niet voor symptoomonderdrukking, infectieremming en koortsdaling ingezet worden, maar het kinderlijk organisme zo goed mogelijk in de immuunafweer en uitscheiding ondersteunen.

De weinige medische verklaringen zijn hier zeer algemeen gehouden en dienen enkel als stimulans tot verdere overwegingen. Voor deze levensperiode is het wezenlijkste kernpunt van de opvoeding, dat we die verborgen wilskracht, die zich op geheimzinnige, scheppende wijze ontplooit, toelaten. Onze opvoeding is dan zowel een zuivere leiding alsook een zuiver, eerder passief ter-beschikking-staan alsook een vanzelfsprekend aanwezig-zijn. Dit aanwezig-zijn geeft de kinderen een natuurlijke geborgenheid. We zouden ons bewust moeten maken, dat het onbedrieglijke teken voor onze gehele opvoeding bij onszelf, in de reinheid van onze persoonlijkheid en warmte van onze autoriteit leeft.